Van stortbad tot stoofpot: het Badhuis op het Willem van Noortplein
Alex kwam laatst dit tariefbord tegen. Het deed hem denken aan het Badhuis aan het Willem van Noortplein, waar arbeiders van de Gasfabriek het roet van zich afspoelden. Waar nu Restaurant Badhuis zit, werd ooit niet gegeten maar gewassen — en sommige sporen zijn nooit verdwenen.


Mooi bord hè. Zo’n bord dat niet uitlegt, maar fluistert.
En als je even blijft staan op het Willem van Noortplein, met een lichte knik in je nek en een open blik, dan hoor je het badhuis nog ademen.
Dit was het Badhuis.
Niet wellness. Geen eucalyptus. Geen zachte panfluit.
Maar water, zeep en een beetje waardigheid.
De arbeiders van de Gasfabriek kwamen hier. Mannen met handen als gereedschap en longen vol kolenlucht. Ze stapten na hun dienst het badhuis binnen om letterlijk het werk van zich af te spoelen. Roet van hun schouders, uit hun haar, uit de plooien van hun dag. Even weer mens worden.
En ja — dat roet zit er nog. Tot op de dag van vandaag. Op daken, in kieren, onder dakpannen van de Vogelenbuurt. Archeologie van arbeid. Je hoeft het niet te zien om te weten dat het er is.
Dat bord met TARIEF is eigenlijk een sociaal document.
Maandag, dinsdag, woensdag: iets duurder.
Voor werklozen: goedkoper.
En altijd dat onderscheid tussen stortbad en kuipbad.
Geen poëzie. Gewoon beleid. Maar wel met een menselijk randje.
Waar nu Restaurant Badhuis zit, werd niet gedineerd maar gereinigd.
En toch klopt het.
Er wordt nog steeds gezorgd. Alleen nu met wijn, borden en gesprekken in plaats van handdoeken van twee cent.
Niet voor niets dat Herman van Veen dit badhuis opvoert in zijn conference. Hij snapt dat plekken geheugen hebben. Dat muren luisteren. Dat water verhalen vasthoudt, ook als het allang is weggelopen.
Het Badhuis was een pauzeknop.
Tussen fabriek en thuis.
Tussen roet en rust.
En als je nu op het plein zit, glas in de hand, en je kijkt even omhoog naar die gevels, dan weet je:
Tuinwijk wast zich niet schoon.
Tuinwijk draagt zijn verleden.
Maar wel fris gewassen.
