Jan van Piekeren in zijn eigen woorden

Ik kom wel eens bij Jan van Piekeren in De Tuinwijk. Ha! Daar ben je. Koppie koffie? Ja natuurlijk. Koffie. Altijd koffie. Moment.

Anne Veen op zijn anneveens

8/9/20266 min read

Ik kom wel eens bij Jan van Piekeren in De Tuinwijk.

Ha! Daar ben je. Koppie koffie?

Ja natuurlijk. Koffie. Altijd koffie.

Moment.

Gerommel met koppies. Kastje open. Kastje dicht. Koffieapparaat. Water. Nog meer gerommel.

Jelleke is er niet.

Mooi hè, die tuin.

Ja, mooie tuin.

Daar geniet ik elke dag van.

Korte stilte.

Nou ja, als ik er ben.

Kijk. Jan.

En tijdens zo'n gesprek kan er dan zomaar een zin voorbijkomen waarvan ik een half uur later denk: wacht effe. Wat zei hij daar nou eigenlijk?

Soms grappig. Soms dwars. Soms ontroerend. Regelmatig alle drie tegelijk. En meestal zegt hij het alsof het de gewoonste zaak van de wereld is.

Dus reden genoeg om eens in oude interviews en columns te duiken.

Of duicen.

Nee, duiken.

Jammer eigenlijk. Duicen ziet er veel avontuurlijker uit.

Op zoek dus naar Jan van Piekeren in zijn eigen woorden.

Doe maar normaal

Jan van Piekeren hoort bij Utrecht.

En ja, ook bij Tuinwijk. Je bent niet voor niks een Bekende Tuinwijker. Hoofdletters. Heb ik zojuist besloten.

Niet alleen omdat hij hier rondloopt, mensen kent, muziek maakt en zich met van alles bemoeit waar volgens hem iets mee te bemoeien valt. En dat is nogal wat.

Maar vooral omdat hij op een nogal Utrechtse manier naar het leven kijkt.

Niet te veel kapsones. Beetje dwars. Oog voor mensen die het minder getroffen hebben. En als het allemaal te serieus dreigt te worden: snel een grap ertussendoor.

Want, zegt Jan:

„Utrechters zijn niet van helden, doe maar normaal.”

Aldus Jan.

Prima.

Artikel klaar.

Nou ja, bijna dan.

Een faillissement helpt

Jan heeft niet zijn hele leven op een podium gestaan. Hij werkte ooit bij een groothandel in autoaccessoires.

Wat verkochten ze daar eigenlijk?

„Alles wat je niet nodig hebt om een auto te laten rijden.”

Kijk, zo'n zin dus.

Ik zou dan meteen willen weten wát. Dobbelstenen aan de binnenspiegel? Een knikkend hondje op de hoedenplank? Zo'n kompas dat altijd naar het dashboard wijst? Een spoiler op een Opel Kadett?

Maar goed. Autoaccessoires.

Tot het bedrijf failliet ging.

Voor de meeste mensen is dat niet direct het moment waarop je thuiskomt, de deur opendoet en roept: Hoera! Mijn werkgever is failliet! Nu gaat het leven beginnen!

Jan kijkt daar kennelijk anders naar.

In ieder geval achteraf.

„Op jonge leeftijd een flink faillissement kan je een eeuwigheid van zoeken schelen.”

Moet je even over nadenken.

Het faillissement dwong hem na te denken over wat hij nou eigenlijk wilde.

Muziek maken.

Schrijven.

Optreden.

Dingen proberen.

Mislukken waarschijnlijk ook. Hoort erbij.

En zo kwam hij tot een inzicht waar complete rijen zelfhulpboeken mee kunnen worden vervangen:

„Ik ontdekte dat het leven één groot experiment is.”

Klaar.

Scheelt €24,95.

Per boek.

En een hoop kastruimte.

Gewoon doorgaan dus

Dat experiment betekende overigens niet dat Jan onmiddellijk ontdekt werd, Carré uitverkocht en daarna uitsluitend nog met zonnebril en twee bodyguards over de Oudegracht kon lopen.

Nee.

Hij deed mee aan het Amsterdams Kleinkunst Festival en wist daarna vooral twee dingen.

Dit wil ik.

En.

Ik kan het nog niet.

Ook lekker.

Dus deed hij iets wat tegenwoordig bijna revolutionair klinkt.

Hij ging oefenen.

Schrijven. Spelen. Optreden. Weer schrijven. Nog een keer spelen. Waarschijnlijk iets weggooien. Opnieuw beginnen. Weer optreden.

Jarenlang.

En uiteindelijk kon hij zeggen:

„Nu ben ik geworden wat ik toen had gehoopt.”

Ja.

Dan kan ik hier natuurlijk weer een flauwe opmerking achteraan zetten.

Doe ik niet.

Soms moet je gewoon je mond houden.

Zelfs ik.

Koffie!

Gelukkig duurt de ernst bij Jan nooit heel lang.

Koffie dus.

Veel koffie.

Op de vraag waarom hij zoveel koffie drinkt kwam geen verhaal over aroma's, Ethiopische hoogvlaktes, langzaam gebrande arabicabonen, een afdronk van chocolade met een zweem van rood fruit en een espressomachine die meer kost dan mijn eerste auto.

Nee.

„Iemand moet de Braziliaanse koffieboeren overeind houden.”

Juist.

Dat verklaart alles.

Eigenlijk is het dus ontwikkelingshulp.

Nog een koppie?

Ja doe maar.

Voor Brazilië.

De Bijbel

Boeken herlezen doet Jan nauwelijks.

Nou ja. Eentje misschien.

„Misschien de Bijbel, maar dat wordt er ook na de derde keer lezen niet beter op.”

Hè?

Pardon?

En dan gaat hij er ook nog even over nadenken en constateert dat je als schrijver toch iets goed hebt gedaan als je na de achthonderdste druk nog steeds gelezen wordt.

Dat is ook Jan.

Eerst even porren.

En daarna bewonderend kijken naar degene die je zojuist geprikt hebt.

Utreg

En dan Utrecht.

Of Utreg.

Want wie met Jan praat komt vroeg of laat vanzelf bij zijn stadsie terecht.

Hij vertelde ooit dat hij naarmate hij ouder werd steeds bewuster naar Utrecht ging kijken.

Naar gevels. Straten. Graffiti. Mensen. Dingen waar je normaal gewoon voorbij loopt omdat je hoofd alweer ergens anders is.

Want:

„Als je wandelt zie je nog niks omdat je met de belasting in je hoofd zit.”

Hè?

Ja.

Daar is ie weer.

Zo'n zin.

En hij heeft nog gelijk ook.

We vliegen naar Lissabon, Parijs, Barcelona of Nice en daar staan we vervolgens twintig minuten bewonderend naar een balkonnetje te kijken.

Oooooh.

Mooi smeedwerk.

Prachtige luikjes.

Kijk die gevel!

Thuis fietsen we zonder één keer omhoog te kijken langs een gebouw waar een Japanner driehonderd foto's van maakt.

Want wij moeten naar de Appie.

Of de belasting.

Die zit kennelijk in je hoofd.

Volgens Jan moet je daarom af en toe door je eigen stad lopen alsof je er op vakantie bent.

En dan blijkt Utrecht volgens hem:

„Mooier dan Nice of welke stad ook.”

Zo.

Nice kan weer inpakken.

Daar valt natuurlijk over te twisten.

Maar niet met Jan.

En eigenlijk ook niet met mij.

Amsterdam

Dan Amsterdam.

Dat ligt ergens ten noordwesten van Utrecht.

Jan treedt er ook op.

En hij kan het dan niet laten om het Amsterdamse publiek even uit te leggen dat Van Piekeren toch echt een Utrechtseformatie is.

Voor het geval ze dat vergeten waren.

Vervolgens wil hij nog weleens vertellen dat Utrecht al een behoorlijke stad was toen Amsterdam voornamelijk bestond uit moeras, modder en wat bewoners die volgens de Van Piekeren-versie van de vaderlandse geschiedenis dringend behoefte hadden aan beschaving uit Utrecht.

Of het allemaal historisch helemaal klopt?

Geen idee.

Maakt ook niet uit.

Een goed verhaal moet je niet kapot controleren.

En uiteindelijk zegt Jan zelf:

„Utrechters zijn niet van helden, doe maar normaal.”

Die hadden we al.

Klopt.

Maar goede uitspraken mag je vaker gebruiken.

Dat doen politici ook.

De warme kant

En ergens hier verandert er iets.

Want achter dat gemopper, die grappen, het Utrechtse chauvinisme en het porren zit iets anders.

Jan kijkt naar mensen.

Vooral naar mensen die niet zo nodig vooraan hoeven te staan.

In een van zijn columns verbaast hij zich over alle aandacht voor alles wat fout gaat en de geringe aandacht voor alles wat gewoon goed gaat.

Mensen die boodschappen doen voor een buurvrouw.

Vrijwilligers.

Mantelzorgers.

Iemand die een straat mooier maakt.

Een buurman die ziet dat iemand hulp nodig heeft en dan niet eerst een werkgroep opricht, een subsidieaanvraag indient, een participatietraject start en een beleidsnota van 48 pagina's produceert.

Maar gewoon helpt.

Jan schrijft:

„Helaas heeft de warme kant van Utrecht geen ‘Nieuwswaarde’.”

En daarna:

„Jammer dat we niet weten hoe goed we bezig zijn met z'n allen.”

Kijk.

En daar zijn we ineens weer in Tuinwijk.

Want een wijk wordt natuurlijk niet gemaakt door stenen.

Of auto's.

Of bomen.

Nou ja, bomen helpen.

Fietspaden ook.

En over auto's kunnen we in Utrecht tegenwoordig minstens zeven inspraakavonden organiseren.

Maar uiteindelijk zijn het de mensen.

De buurvrouw.

De ondernemer op de hoek.

Degene die de planten water geeft als iemand op vakantie is.

Degene die een pakje aanneemt.

Ook al neemt die inmiddels zoveel pakjes aan dat zijn eigen gang op een distributiecentrum van PostNL begint te lijken.

Mensen dus.

De Galgenwaard vol

Jan heeft jarenlang gewerkt met mensen die dak- of thuisloos waren.

Dan krijg je een ander beeld van pech.

En van geluk trouwens.

Want het lijntje tussen een leven waarin alles min of meer gewoon doorkabbelt en een leven waarin de boel volledig ontspoort, blijkt soms verrassend dun.

Over armoede in Utrecht zei hij:

„Je kan stadion Galgenwaard vullen met de mensen die onder de armoedegrens leven.”

De Galgenwaard.

Vol.

Dat blijft hangen.

Veel beter dan 12,4 procent of 17.326 huishoudens of wat er op dat moment ook precies in een statistiek staat.

Je ziet het ineens voor je.

Een vol stadion.

En misschien verklaart dat waarom maatschappelijke onderwerpen steeds terugkomen in zijn liedjes en verhalen.

Jan schopt graag ergens tegenaan.

Dat zeker.

Maar het gaat uiteindelijk niet om het schoppen.

Het gaat om degene die ernaast staat.

Dan maar zingen

Corona.

Theaters dicht.

Cafés dicht.

Podia dicht.

Kunstenaars thuis.

Wachten.

Op beleid.

Op regels.

Op iemand die ergens in een kantoor zei dat het misschien weer mocht.

Jan had daar niet zoveel zin in.

Ga naar buiten.

Maak muziek in een park.

Hang kunst langs een wandelroute.

Dans tussen de flats.

Doe wat.

En hij schreef:

„Ik ga mijn mening uiten op de manier die het best bij me past, zingend.”

Ja.

Misschien is dat Jan van Piekeren wel in één zin.

Hij kijkt.

Verwondert zich.

Ergert zich.

Bemoeit zich ermee.

Praat erover.

Drinkt koffie.

Praat nog wat.

Schrijft iets.

Verandert iets.

Schrijft het weer terug.

Johan doet er iets muzikaals mee.

Jan zegt dat het anders moet.

Johan waarschijnlijk dat het zo prima is.

Geen idee trouwens. Daar was ik niet bij.

En uiteindelijk is er een lied.

Maar onder al die grappen, dwarse opmerkingen, faillissementen, koffieboeren, Bijbels, Amsterdammers en Utrechts chauvinisme zit steeds ongeveer hetzelfde.

Jan zei het zelf:

„Geef om elkaar, we hebben elkaar allemaal nodig, want niemand kan het alleen.”

Stilte.

Koppie leeg.

Kijk naar buiten.

Mooie tuin.

Daar geniet Jan elke dag van.

Nou ja.

Als ie er is.

Nog koffie?

Doe maar.

We kunnen die Braziliaanse koffieboeren nu moeilijk ineens laten vallen.

De uitspraken van Jan van Piekeren in dit artikel komen uit interviews met Jan en uit zijn columns voor De Nuk en andere Utrechtse media. De rest van de chaos komt voor rekening van de schrijver.

Ondernemers Tuinwijk

info@tuinwijkutrecht.nl